WOORDENLIJST & AFKORTINGEN
In deze lijst zijn woorden en afkortingen uit verschillende boeken samengebracht, het wil dus niet zeggen dat deze termen specifiek te maken hebben met de Westwall.
Acces.
Weg of begaanbare terreinstrook, die door een niet-begaanbaar of
voor een aanval ongeschikt terrein voert, bijvoorbeeld wegen, hoge dijken en
kaden, door moerasgebieden of onderwaterzettingen,
Accespost.
Werk dat een acces verdedigt.
Affuit
Onderstel waarop een vuurmond ligt.
Approvisionnement (zie armement.)
Armement
Alle benodigdheden om een vesting in Staat van verdediging te
brengen, zijnde:
- krijgsbehoefte: geschut, handvuurwapenen, munitie en geniematerieel;
- levensbehoeften: onder andere voedsel voor het garnizoen en voor de
paarden;
- hospitaalbehoeften: verplegings- en geneesmiddelen en dergelijke.
Armierungsstellung
Im Mobilmachungsfalle mit allen Mitteln auszubauende Stellung
Bank
Ophoging achter de borstwering van bastions, ravelijnen of courtines
voor opstelling van geschut. Ook was het vergroten van de vuuruitwerking
door een ruimer uitzicht over het terrein voor de vesting. Andere namen
hiervoor: barbette, cavalier, kat, schietkat. Soms ook platvorm of emplacement
Banket
Verhoging achter een borstwering van een vestingwal of loopgraaf,
dienende als opstellingsplaats voor geweerschutters om over de borstwering
te kunnen schieten. Ook wel banquette. Had de vorm van een smalle berm;
aanvankelijk echter 1.20 a 1.30 meter breed, ten einde er twee gelederen te
kunnen doen plaatsnemen. Een en ander hield verband met het herladen van
afgeschoten geweren, zodat elk gelid beurtelings kon schieten.
Bastion
Vijfhoekige, gemetselde of aarden uitbouw van de verdedigingsmuur of
wal van een vesting, fort of schans, niet als doel de wal naar beide
zijden te kunnen flankeren. Ontstaan uit de behoefte om de omwalling van
een vestingwerk geheel met kanon- en geweervuur te kunnen bestrijken.
Bestaat uit twee fasen, samenkomend in de bastionspunt of saillant en twee
flanken, alsmede de niet-bewalde achterzijde of keel, die in open verbin-
ding Staat niet de binnenruimte van het vestingwerk, aan weerszijden aan-
sluitend aan de courtines. Ta van Italiaanse oorsprong. Vaak ook bolwerk
genoemd.
Batterij
Aardwerk, gedeelte van een wal en dergelijke waarop stukken
geschut zijn opgesteld, bijvoorbeeld batterijen in stellingen, kustbatte-
rijen en dergelijke. 0ok wel: geschutheuvel. 0ok: een aantal stukken
geschut van hetzelfde kaliber, in organiek verband. Vroeger werd ook wel
het woord beukerij gebruikt.
Bedekte weg
Doorlopende, door een aarden wal (glacis) beschermde weg aan
de buitenzijde van de buitenste gracht van een vesting. Moest breed genoeg
zijn om ook te kunnen dienen als gevechtsopstelling, vanwaar de infanterie
in een vroege fase van het beleg de verdediging kon voeren. Ook vaak
gedekte weg genoemd. Voor artillerie-opstellingen was de bedekte weg bij de
in- en uitspringende hoeken verbreed tot de zogenoemde wapenplaatsen.
Bedding.
Vlak dat dient als fundament vorn het geschut. Dikwijls ook: beschermingswal
rondom het geschut. (Duits: Bettung; Frans: encuvement.)
Bunker.
(Duits.) Verzamelnaam vorn verscheidene soorten gevechtsopstellingen. oor-
spronkelijk: opbergplaats, onderkomen.
Caponnière
1. in het gebastioneerde stelsel: een door de droge gracht aangelegde weg,
die verbinding gaf niet een voorgelegen werk en door geschutbanken werd
gedekt. Was deze weg overdekt en tot verdediging ingericht en tevens
dienende tot flankverdediging van de vestinggracht, dan sprak men van
grachtgalerij ;
2. In het polygoonaal stelsel: een aan de voet van een vestingwal of fortwal
gelegen. uitbouw, doorgaans aan beide zijden voorzien van Schietgaten,
waaruit de vesting- of fortgracht kon worden bestreken.
Contrescarp
Het al of niet met een muur beklede talud aan de veldzijde van
de hoofdgracht; ook wel buitengrachtboord. Bij droge grachten in hoog
terrein was de bekledingsmuur dikwijls voorzien van een galerij niet
schietgaten. De naam wordt ook wel gebezigd voor de aan de buitenkant van
een vestinggracht gelegen oever met eventueel daarbij de bedekte weg en het
glacis.
Contrescarpgalerij.
Gebouw rondom een fort met aan de buitenzijde een forse aarden dekking. De
zo ontstane dröge gracht kon vanuit dit gebouw ander vuur worden genomen.
Courtine
Het rechter of licht gebroken deel van de wal of meer, dat tussen
twee rondelen of bastions is gelegen.
Dode hoek
Terreingedeelte v66r een verdedigingswerk, dat door de ver-
dedigers niet met vuur kan worden bestreken.
Drehbrücke
Im Festungswesen werden einarmige Drehbrücken verwendet,
deren Drehpfeilcr sich auf dem freundseitigem Ufer befindet-
Die horizontal drehbare Brücke, die in ausgeschwenkter Stellung
einen über das nasse Panzerhindernis führenden Verkehrsweg
sperrt.
Drei-(Sechs-)Schärtenturm.
Vaste pantsertoren of -koepel met drie (zes) schietopeningen.
Emplacement
Geschutopstelling. Zie geschutbank en banket.
Einheitsgruppe (EG)
Infanterie-Gruppe (1 : 12), die in einer Kampfanlage oder in einem
Unterstand vor feindlicher Waffenwirkung geschützt, zum Ein-
satz in der HKL oder im HKF bereitgehalten wird.
Escarp
Het al dan niet met een muur beklede talud aan de vestingzijde van
de hoofdgracht ; ook wel binnengrachtboord.
Facen
De naar buiten gerichte delen van een bastion, die in de saillant
Samenkomen. De twee facen worden aangeduid als rechter- en linkerface.
Feste.
Aantal pantserbatterijen binnen één gesloten verdediging. (Frans: groupe
fortifié.)
Festungsfront
Starre ständiger Befestigungen, die das Vorgelände des Haupt-
kampffeldes und die Räume zwischen den Kampfanlagen in der
HKL lückenlos mit Feuer beherrschen.
Festungskampffeld
Festungsfront mit zusätzlichen rückwärtsgestaffelten ständigen
Kampfanlagen, welche die Tiefe des Hauptkampffeldes lückenlos
mit Feuer beherrschen.
Flak.
(Duits.) Flugzeugabwehrkanone ofwel luchtafweergeschut.
Flank
Dat gedeelte van een bastion, dat grenst aan de courtine en van
waaruit de courtine en de face van het nevenliggende bastion kunnen worden
bestreken.
Flankbatterij
Batterij welke zijwaarts is gesitueerd en de centrumbatterijen direct
kan steunen bij een aanval van de vijand. Ook wel: batterij
welke in het polygoonaal stelsel de aan de frontzijde grenzende zijden van
een fort kan bestrijken.
Flankement
Bij verdedigingswerken of permanente vestingfrontieren onderscheidt men:
groot flankement: vuur ten bate van en tot steun aan nevenforten en de, in
de linie tussen de forten gelegen, verdedigingswerken;
klein flankement: ook wel grachtsflankement: flankement dat zich tot het
eigen vestingwerk bepaalt.
Fort.
Naar alle zijden verdedigbaar, gesloten vestingwerk waarvan de verdediging
zelfstandig kan worden gevoerd. Het is kleiner dan een vesting en de bezetting
bestaat uitsluitend uit militairen.
Gerippstellung
Mit ständigen Befestigungsanlagcn ausgestattete Verteidigungs-
stellung, die größere Zwischenräume von einer Kampfanlage zur
anderen aufweist.
Der weitere Ausbau zur Armierungszone wird mobilmachungs-
gemäß vorbereitet.
Glacis.
Flauw hellend buitentalud.
Grenz-Widerstandszone
Für hinhaltende Kampfführung im Grenzbereich bestimmte Zone.
Hauptkampffeld
Zur Feindseite durch die Hauptkampflinie begrenzte mit Kampf-
anlagen ausgestattete Zone, in der eingebrochene gegnerische
Kräfte aufzufangen und im Gegenstoß zurückzuwerfen sind.
Hauptkampflinie
Vorderer Rand des Kampffeldes.
Höckerhindernis.
(Duits.) In het Nederlands draketand genoemd, in rijen geplaatste betonnen
obstakels, die aan de voet onderling doof een raamwerk zijn verbonden.
Hohlgang
Unterirdischer Transport- und Fußgängerweg als Zugang oder
Verbindung zu und zwischen Kampfanlagen.
Infanterieraum
Betonierte Anlage, meist für mindestens einen Infanterie-Zug
(Nach dem Ersten Weltkrieg entstanden keine Neubauten dieser
Art).
lnfanteriewerk
Betonierte Anlage für mindestens eine Infanterie- Kompanie (Nach
dem Ersten Weltkrieg entstanden keine Neubauten dieser Art).
lnundatie.
Onderwaterzetting voon verdedigingsdoeleinden.
Kampfstand
In Eisenbeton ausgeführte Kampfanlage (vgl. Panzerwerk).
Kazemat.
Gemetseld of betonnen bouwwerk voon geschutsdoeleinden.
Keel.
Open achterzijde van een voon het overige gesloten verdedigingswerk.
Kipprollbrücke
Aus der horizontalen in eine vertikale Stellung zu kippende
Brücke, die, nach kurzem horizontalen Rollvorgang, in der
Kippstellung einen über ein nasses Panzerhindernis führenden
Verkehrsweg unterbricht.
Die Kippanlage befindet sich auf dem freundseitigon Ufer.
KWK.
(Duits.) Kampfwagenkanone ofwel kanon bestemd voor een tank.
Leitstand.
(Duits.) Zie vuurleidingspost.
Ouvrage.
(Frans.) Groot verdedigingswerk, dat zich voor een groot deel ander de grond
bevindt en dat niet meer zoals bij een fort door een wal en een gracht wordt
omsloten, maar door een gesloten rij van allerlei soorten obstakels. (Nederlands:
verdedigingswerk; Duits: Gruppenbefestigung.)
Pak.
(Duits.) Panzerabwehrkanone ofwel anti-tankkanon.
Pak-Kasematte
Abschließbarer Kampfraum mit Frontschartenplatte für den
stationären Einsatz einer Pak.
Pak-Unterstand
Anlage (in der Regel aus Eisenbeton) zum Unterstellen einer Pak,
die im Mannschaftszug in die Feuerstellung außerhalb des Bau-
werks gefahren werden muß.
Panzer-Batterie
Mindestens drei unter Panzerkuppeln eingebaute Geschütze
(Kanonen und Haubitzen).
In Deutschland war für die Panzer-Batterie ein Werk in Baustärke
A vorgesehen.
Panzerwerk
Kampfanlage der Baustärke Bl und stärker mit mindestens einem
Panzerturm.
Poste de Direction de Tir.
(Frans.) Zie vuurleidingspost.
Redoute.
Eenvoudig rechthoekig werk.
Reduit.
Centraal verdedigingswerk binnen een vesting of fort van waaruit de verdedi-
ging tot het laatst toe kon worden gevoerd. Ook wel: centrale vesting binnen
een landsverdediging (Nationaal Reduit).
Rückhaltzone
Verteidigungsbereich, dessen Ausbauzusland es ermöglichen soll.
den Angreifer zumindest vorübergehend abzuweisen.
Schärtenstand
Kampfanlage mit Frontschartenplatte für den Einsatz eines SMG.
Sind mehrere Frontschartenplatten vorhanden, so werden die
Anlagen mit Doppelscharten-oder Dreischartenstand bezeichnet.
Schweigewerk
(auch als "Tiefenwerk" bezeichnet) Kampfanlage, deren Geschüt-
ze das Feuer erst eröffnen sollen, wenn gegnerische Panzer-
kampfwagen den vorderen Rand des Hauptkampffeldes erreicht
haben.
Tiefenwerk s. Schweigewerk
Vuurleidingspost.
Commandocentrum van een batterij.
Wasserschloß
Bauwerk am Abfluß eines großen Wasserreservoirs (z. B. See),
mit dessen Hilfe natürliche und künstliche Gewässer, die unter-
stromwärts durch Stauanlagen absperrbaT sind, aufgefüllt werden
können.
| < Vorige | Volgende > |
|---|



Verzeichnisse

